Vincent de Groot: "Onze dienstverlening is volledig gericht op de internationale werknemer. Door de uitgebreide ervaring met en de specifieke kennis over onder meer de fiscale omstandigheden van zeevarenden, personen werkzaam in de offshore-industrie en bij baggerbedrijven, maar ook voor andere internationaal mobiele werknemers, weet u zeker dat uw fiscale zaken in vertrouwde en deskundige handen zijn.

Bent u buiten Nederland werkzaam? Zit u met vragen over belastingen en sociale premies? Niet alleen voor het verzorgen van uw Nederlandse aangifte inkomstenbelasting, maar ook bij advisering over werken buiten Nederland of voor een buitenlandse werkgever en wonen buiten Nederland bent u bij ons aan het juiste adres!"



Translate this site


Posts tonen met het label Hoge Raad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hoge Raad. Alle posts tonen

Nieuwe box 3 stelsel op basis van werkelijk rendement uitgesteld

In juni dit jaar heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het geboden rechtsherstel in box 3 onvoldoende is. Hierdoor zijn aanvullende herstelwerkzaamheden nodig, die invoering van een nieuw box 3 stelsel per 2027 onmogelijk maken. Dit uitstel heeft ook budgettaire consequenties. Om deze op te vangen wordt in het huidige box 3 stelsel per 2026 het forfait voor overige bezittingen verhoogd en het heffingsvrije vermogen verlaagd.

De uitspraak van de Hoge Raad over het geboden rechtsherstel in juni van dit jaar heeft zowel financiële consequenties als consequenties voor de uitvoering. De afgelopen tijd is daarom eerst onderzocht of een stelsel op basis van werkelijk rendement toch in te voeren is per 2027. Zo is er gekeken of het mogelijk is om het nieuwe box 3 stelsel in stappen in te voeren. Uit de verkenning is gebleken dat zo’n een tussenvariant voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst complex is. De Raad van State heeft bovendien een aantal bezwaren geuit in het recent gepubliceerde advies over het nieuwe stelsel. Dit advies wordt op dit moment bestudeerd en mogelijke opties worden gewogen. Een stelsel op basis van werkelijk rendement is nog steeds het uitgangspunt voor dit kabinet. Het doel is een nieuw stelsel per 2028 in te voeren.

Het heeft de voorkeur van het kabinet om duidelijkheid te bieden aan belastingplichtigen, zodat zij niet afwisselend met verschillende vormen van een box 3 belasting worden geconfronteerd. Er is daarom gekozen om het huidige stelsel met een tegenbewijsregeling in ieder geval een jaar langer in stand te houden, dus tot en met 2027.

Recente arresten Hoge Raad over box 3 ook van toepassing op spaarders

Ook spaarders kunnen naar aanleiding van de Hoge Raad-arresten van 6 juni 2024, onder andere ECLI:NL:HR:2024:704, V-N 2024/28.3, bezwaar maken tegen aanslagen inkomstenbelasting 2023. Dat antwoordt staatssecretaris Van Rij van Financiën op vragen van Kamerlid Grinwis (CU) naar aanleiding van het bericht “Spaarders in box 3 mogen oordeel Hoge Raad niet afwachten”.

De meeste aanslagen inkomstenbelasting 2023 van spaarders in box 3 hebben een dagtekening van begin mei 2024, waardoor de aanslagen op 6 juni nog niet onherroepelijk vaststonden. De arresten gelden daarmee ook voor de aanslagen inkomstenbelasting 2023. Over de arresten wordt communicatie voorbereid.

Een rendementspercentage in 2023 van 0,92% voor banktegoeden is volgens de staatssecretaris redelijk en sluit goed aan bij het werkelijke gemiddelde rendement. Daarom is ervoor gekozen om alleen de aanslagen aan te houden van belastingplichtigen met ook overige bezittingen in box 3.

Hoge Raad: box 3-heffing nog steeds discriminerend

Neemt de Wet rechtsherstel box 3, ook wel Herstelwet genoemd, de verdragsinbreuk weg die in de box 3-uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 is geconstateerd? De Hoge Raad oordeelt van niet. De voor de Nederlandse inkomstenbelastingheffing in box 3 toepasselijke wetgeving schendt nog steeds het verdragsrechtelijke discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht in de gevallen waarin het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement. In een aantal uitspraken van vandaag geeft de Hoge Raad nadere regels voor de berekening van dat werkelijke rendement en voor het rechtsherstel dat moet worden geboden in gevallen waarin het verdragsrecht is geschonden.

Wat voorafging
Het oorspronkelijke box 3-regime (2017)
Het stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3, zoals dat oorspronkelijk met ingang van 1 januari 2017 gold, kwam erop neer dat het voordeel uit sparen en beleggen werd belast op basis van een fictief (forfaitair) rendement dat was gebaseerd op gemiddelde rendementen en uitging van een fictieve beleggingsmix. Hierdoor werd geen rekening gehouden met de werkelijke samenstelling van het vermogen van de belastingplichtige in box 3, en ook niet met het rendement dat de belastingplichtige in werkelijkheid op dat vermogen had behaald.

Livestream uitspraak Hoge Raad in Box 3-zaken op 6 juni 2024

Op donderdag 6 juni 2024 om 11.00 uur doet de Hoge Raad openbaar uitspraak in vijf zaken over de heffing van inkomstenbelasting in box 3 na invoering van de Wet rechtsherstel Box 3.
U kunt de uitspraak op deze pagina live volgen.

Toch kans op geld terug voor spaarders zonder recht op compensatie

Spaarders die te veel belasting betaalden via de spaartaks en te laat bezwaar maakten, kunnen toch mogelijk geld terugkrijgen. Staatssecretaris Van Rij (Financiën) heeft een juridische route bedacht die voor alle spaarders zal gaan gelden die geen recht op compensatie hadden, een zogenoemde 'massaal bezwaar plus'-procedure.

Verschillende spaarders die te laat waren met bezwaar maken hebben wel een verzoek tot vermindering van hun belasting aangevraagd. Die zaak komt voor de rechter. De Hoge Raad kan in hun geval alsnog besluiten dat deze spaarders recht hebben op een belastingvermindering met terugwerkende kracht. De zaak die voor de Hoge Raad komt, is dus een soort proefproces. De uitkomst van die zaak, die begin 2023 start, gaat voor alle spaarders gelden.

Kabinet: Geen actie meer nodig voor niet-bezwaarmakers box 3

Ook alle niet-bezwaarmakers kunnen aanspraak maken op een nieuwe uitspraak van de Hoge Raad, mocht de Hoge Raad belastingplichtigen in een nieuwe procedure in het gelijk stellen. Niet-bezwaarmakers met box 3-inkomen over de jaren 2017 - 2020 hoeven hiervoor geen verzoek in te dienen. Dat heeft het kabinet bekendgemaakt. De nieuwe procedure gaat over de vraag of ook niet-bezwaarmakers in aanmerking komen voor rechtsherstel. Met belangenorganisaties worden procesafspraken gemaakt over deze procedures voor niet-bezwaarmakers, zo stelt het kabinet. Doel is de procedures en afhandeling van verzoeken zo efficiënt mogelijk te laten verlopen.

Het kabinet heeft sinds de uitspraak van de Hoge Raad op 20 mei jl. onderzocht of en zo ja hoe het mogelijk was niet-bezwaarmakers toch te compenseren. Uiteindelijk is besloten om geen compensatie te bieden aan de niet-bezwaarmakers. Volledige compensatie kost circa € 4,1 miljard, waarvan meer dan de helft terecht zou komen bij belastingplichtigen met een vermogen in box 3 van meer dan € 200.000. 
Dit leidde tot veel reacties van de niet-bezwaarmakers, die het besluit van het kabinet onrechtvaardig vonden. Het indienen en afhandelen van deze verzoeken levert veel werk op, zowel voor belastingplichtigen en belastingadviseurs als voor de Belastingdienst, omdat ieder verzoek individueel behandeld moet worden.

Kamerbrief n.a.v. uitspraak van de Hoge Raad inzake box 3

Staatssecretaris Van Rij (Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst) informeert de Tweede Kamer over de antwoorden op feitelijke vragen naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 inzake box 3. De vaste Kamercommissie voor Financiën heeft de vragen gesteld.

Compensatie van gedupeerde spaarders laat nog even op zich wachten

Het kabinet besluit pas in het voorjaar over de compensatie van spaarders die belast werden over fictieve rendementen, schrijft staatssecretaris Marnix van Rij (Fiscaliteit) aan de Tweede Kamer. Die zogenaamde box 3-heffing is volgens een recent vonnis van de Hoge Raad in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Het arrest van de Hoge Raad verplicht het kabinet om uiterlijk op 4 februari, over twee dagen, met een zogenaamde collectieve uitspraak te komen. Wat daarin moet staan is niet helemaal duidelijk. De uitspraak is eerder een formaliteit en bevestiging dat het kabinet het vonnis ontvangen heeft.

Die uitspraak zal er volgens Van Rij komen, maar dat zal nog niet meteen tot rechtsherstel leiden. Officieel moet de compensatie van gedupeerden zes maanden na de publicatie van die uitspraak van start gaan, maar Van Rij is er niet zeker van dat dat haalbaar is.

Uitspraak Hoge Raad niet verwerkt in voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2022

Bericht Belastingdienst: Op 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat de box 3-heffing in 2017 en 2018 in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Het is helaas nog niet mogelijk om de gevolgen van deze uitspraak te verwerken in de aanslagen die de Belastingdienst nu oplegt.

Momenteel versturen we veel voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2022. Het kan dus zijn dat u onlangs een voorlopige teruggaaf of aanslag ontving of binnenkort ontvangt. Hierin is nog geen rekening gehouden met de eventuele gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad.

We blijven de voorlopige aanslagen wel versturen. We vinden het belangrijk dat u uw voorlopige teruggaaf gewoon ontvangt. En dat u een te betalen aanslag verspreid over het jaar kunt betalen. Hiermee voorkomen we mogelijke betalingsproblemen.

Ondertussen zijn we bezig de gevolgen van de uitspraak zorgvuldig in kaart te brengen, ook voor het belastingjaar 2022. Zo komen we tot een correcte belastingheffing in box 3.

Hoogleraar: maak komend jaar allemaal bezwaar tegen de box 3-heffing

Nederlanders die belasting over hun vermogen betalen en zich benadeeld voelen, kunnen komend jaar het beste allemaal bezwaar aantekenen bij de fiscus. Dat kan je zomaar veel geld opleveren, zegt hoogleraar algemeen belastingrecht Koos Boer van de Universiteit Leiden.

Door de nieuwe uitspraak van de Hoge Raad over de box 3-heffing wordt de overheid dan namelijk gedwongen om bij het berekenen uit te gaan van je werkelijke rendement, en niet van een veel te rooskleurige fictieve inschatting.

De hoogste rechter oordeelde vrijdag dat de regeling uit 2017 voor het belasten van spaargeld en overig vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Bijzonder is dat de Hoge Raad ook heeft gezegd dat gedupeerden rechtsherstel moeten krijgen.

Geen exploitatie schip in internationaal verkeer? Geen elders belast!

Op de dag van kerstavond 2021 heeft de Hoge Raad der Nederlanden uitspraken gedaan die duidelijkheid scheppen over de belastingheffing van in Nederland wonende zeevarenden die in dienst staan van een in Zwitserland gevestigde onderneming en tewerk zijn gesteld aan boord van een schip van een aan deze onderneming gelieerde andere onderneming. Het betreffende schip kan grote platforms in één keer van hun sokkel lichten en vervoeren. Het schip kan ook pijplijnen leggen voor olie- en gastransport.

Het betrof hier een geschil over de uitleg van de inhoud van artikel 15, lid 3, van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen. Dit artikel luidt als volgt:
Artikel 15. Niet-zelfstandige arbeid
[…]
3. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel mag de beloning verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, of aan boord van een binnenschip, worden belast in de Verdragsluitende Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

Reeds in het jaar 2014 is hier in een memo van ons adviesbureau aandacht aan besteed. In dit memo is uitleg gegeven aan dit verdragsartikel en is met redenen omkleed waarom ons kantoor tot de conclusie kwam dat een werknemer in een dergelijke situatie geen recht kan hebben op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op grond van die verdragsbepaling.

Navorderingstermijn van 12 jaar voor buitenlands inkomen mogelijk een belemmering van kapitaalverkeer

Het Hof heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Daartoe heeft het onder meer overwogen dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 66, lid 1, aanhef en onder 2, SW 1956 op 31 december 1993 reeds bestond en dat deze valt onder de standstillbepaling van artikel 64 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) omdat het aanhouden van een bankrekening in Zwitserland valt onder het begrip ‘het verrichten van financiële diensten’ als bedoeld in artikel 64 VWEU. Ook de schenking valt onder het verrichten van financiële diensten als bedoeld in artikel 64 VWEU. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van de verlengde navorderingstermijn van artikel 66, lid 1, aanhef en onder 2, SW 1956 met het recht op vrij kapitaalverkeer van artikel 63 VWEU zag het Hof geen aanleiding.

Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de termijnbepaling van artikel 66, lid 1, aanhef en onder 2, SW 1956 valt onder de zogenoemde standstillbepaling van artikel 64 VWEU. Het middel betoogt dat de schenking niet valt onder het begrip ‘financiële diensten’ als bedoeld in artikel 64 VWEU en dat daarom de standstillbepaling niet van toepassing is.

De zogenoemde standstillbepaling van artikel 64 VWEU strekt ertoe – voor zover hier van belang – dat het verbod op beperkingen van kapitaalverkeer tussen lidstaten en derde landen niet van toepassing is indien het bepaalde, in artikel 64 VWEU gedefinieerde beperkingen betreft die reeds op 31 december 1993 bestonden uit hoofde van het nationale recht of het recht van de Unie. De vraag of die standstillbepaling in dit geval van toepassing is op de heffing van recht van schenking hoeft daarom alleen te worden beantwoord indien die heffing een door artikel 63 VWEU verboden beperking vormt van het vrij verkeer van kapitaal.

Beroep niet te snel niet-ontvankelijk verklaren bij ontbreken bestreden besluit

De Hoge Raad oordeelt dat rechters terughoudend moeten zijn met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep vanwege het niet meesturen van het bestreden besluit door de indiener.

X komt in beroep bij Rechtbank Noord-Holland. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van het bestreden besluit. In verzet blijft deze beslissing in stand.

De Hoge Raad oordeelt dat rechters terughoudend moeten zijn met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep vanwege het niet meesturen van het bestreden besluit door de indiener.

De Hoge Raad legt uit dat de verplichting tot overlegging van een afschrift van de bestreden uitspraak niet absoluut is. Art. 6:5 Awb eist slechts dat “zo mogelijk” een afschrift wordt overgelegd. Daarbij komt dat de rechter bij het niet overleggen niet verplicht is om over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring. Ten slotte speelt hier geen termijn van openbare orde. De rechtbank heeft dit alles miskend met het oordeel dat het niet overleggen van een afschrift van het bestreden besluit niet kan leiden tot verschoonbaarheid.

Hoge Raad beantwoordt gestelde prejudiciële vragen Letse zeevarende

1 Het procesverloop bij de Hoge Raad

1.1 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 20 april 2017 de volgende vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:

“1. De wetgeving van welke lidstaat wordt door de Verordening (nr. 883/2004) aangewezen voor de periode waarin belanghebbende in dienst is van een in Nederland gevestigde werkgever in de onderhavige situatie waarbij het gaat om een belanghebbende die (a) in Letland woont, (b) de Letse nationaliteit heeft, (c) in dienst is van een in Nederland gevestigde werkgever, (d) als zeevarende werkzaam is, (e) zijn arbeid verricht aan boord van een zeeschip dat vaart onder de vlag van de Bahama’s, en (f) deze werkzaamheden verricht buiten het grondgebied van de Europese Unie?

2. Indien uit het antwoord op vraag 1 volgt dat in beginsel de wetgeving van Letland wordt aangewezen, dient dan te worden onderzocht of de wetgeving in Letland voorziet in aansluiting van een persoon in de situatie zoals die van belanghebbende bij enig stelsel van sociale zekerheid voor de bij vraag 1 bedoelde periode?”

1.2 Voor een overzicht van het procesverloop bij de Hoge Raad tot aan de door de Hoge Raad in deze zaak gegeven beslissing van 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2681, wordt verwezen naar deze beslissing, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht uitspraak te doen over de in die beslissing geformuleerde vraag.

1.3 Bij arrest van 8 mei 2019, C-631/17, ECLI:EU:C:2019:381, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:

“Artikel 11, lid 3, onder e), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, moet aldus worden uitgelegd dat een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een persoon zijn woonplaats in zijn lidstaat van herkomst heeft behouden terwijl hij als zeevarende werkzaam is voor een in een andere lidstaat gevestigde werkgever, op een schip dat buiten het grondgebied van de Europese Unie en onder de vlag van een derde land vaart, binnen de werkingssfeer van die bepaling valt, waardoor de toepasselijke nationale wetgeving die van de lidstaat van de woonplaats van die persoon is.”

1.4 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft schriftelijk gereageerd.

2 Nadere beoordeling van de prejudiciële vragen van de Rechtbank
2.1 Gelet op het hiervoor in onderdeel 1.3 vermelde arrest van het Hof van Justitie moet vraag 1 als volgt worden beantwoord. Op grond van artikel 11, lid 3, onderdeel e), van Verordening 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelstels (hierna: Verordening 883/2004) is de wetgeving van het woonland (Letland) van toepassing op een belanghebbende die in Letland woont, de Letse nationaliteit heeft, in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever als zeevarende werkzaam is op een zeeschip dat onder de vlag van de Bahama’s vaart, en zijn werkzaamheden aan boord van dat schip verricht buiten het grondgebied van de Europese Unie.

2.2 Gelet op het in deze zaak gewezen arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2017 (rechtsoverweging 5.10) en mede gelet op het in onderdeel 1.3 vermelde arrest van het Hof van Justitie (punten 43 tot en met 46) moet op vraag 2 worden geantwoord dat als gevolg van de aanwijzing door Verordening 883/2004 van de Letse nationale wetgeving als toepasselijke wetgeving niet hoeft te worden onderzocht of deze wetgeving voor een persoon in een situatie als die van belanghebbende voorziet in aansluiting bij enig stelsel van sociale zekerheid.

Afstandscriterium 30%-regeling niet van toepassing

Aan de 30%-bewijsregel voor vanuit het buitenland aangeworven werknemers heeft mede de gedachte ten grondslag gelegen dat door vergroting van het netto besteedbare loon van de betrokken werknemer een faciliteit wordt geboden die het bedrijfsleven beter in staat stelt schaarse specifieke deskundigheid aan te trekken. Het strookt met deze gedachte om aan de hand van de feiten ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst te beoordelen of de betrokken werknemer aan de op dat moment geldende voorwaarden voor toepassing van deze regeling voldoet (vgl. HR 28 april 2006, nr. 41501, ECLI:NL:HR:2006:AU2303 en HR 19 juni 2015, nr. 14/01755, ECLI:NL:HR:2015:1670).

Nieuwe vormen van rechtspraak kunnen mensen verder helpen


‘Mensen hebben recht op rechtspraak die er toe doet.’ Dit zei Frits Bakker (voorzitter van de Raad voor de rechtspraak) gisteravond tijdens het Gerbrandy-debat in Den Haag. Eén van de onderwerpen die avond was de ‘experimenteerbepaling’. Deze in het regeerakkoord opgenomen term zegt dat rechters ruimte krijgen om nieuwe en effectievere procedures te onderzoeken. Bakker is ervan overtuigd dat dit bijdraagt aan een toegankelijke rechtspraak met meer maatschappelijke impact.

Volgens Bakker moet rechtspraak aansluiten bij wat de samenleving nodig heeft. Het uitproberen van nieuwe procedures kan de rechter dichterbij de samenleving brengen. Als hierdoor mensen beter zien wat rechtspraak betekent voor het dagelijks leven, geeft dit meer vertrouwen in de rechtsstaat.

Geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor monteur onderzeese pijpleidingen

Hof Den Haag oordeelt dat X in geen van de landen meer dan 183 dagen heeft gewerkt. Hij heeft dan geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen (art. 80a Wet RO).

X werkt aan onderzeese pijpleidingen. In 2011 en 2012 werkt hij in diverse landen (o.a. België, Engeland, Ghana, Rusland en India). In zijn IB-aangiften claimt X aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Volgens de inspecteur heeft X echter geen recht op de aftrek.

Hoge Raad schept verwarring met pleitbaar standpunt

Moet de pleitbaarheid van een standpunt nu enkel naar objectieve maatstaven worden beoordeeld, of speelt de subjectiviteit toch nog een rol? Dat vraagt advocaat-belastingkundige Diana Jansen (Flexadvocaten) zich af na het lezen van een recent arrest over de afdrachtvermindering onderwijs. "Dit arrest van de Hoge Raad roept weer vragen op over de benadering van het pleitbaar standpunt."

Objectief pleitbaar standpunt
Een pleitbaar standpunt komt in menig belastingzaak naar voren. Dat is niet voor niets, want het hebben van een dergelijk standpunt sluit een fiscale boete uit. In de Credit Suisse-arresten van 21 april 2017 geeft de Hoge Raad de langverwachte duidelijkheid over wanneer nu precies sprake is van een pleitbaar standpunt. Dit moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld en niet naar subjectieve. Dat betekent dat als het standpunt ten tijde van het doen van de aangifte is gebaseerd op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, waardoor een belastingplichtige redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn aangifte juist was, er geen opzet of grove schuld in het spel is als de rechter dat standpunt later onjuist acht.

Verzekeringsplicht voor zeevarenden duidelijk geregeld

De Advocaat-Generaal van de Hoge Raad vindt de aanwijsregels in de sociale zekerheidsverordening, die bepalen welke sociale verzekeringswetgeving van toepassing is, duidelijk geregeld (conclusie 8 augustus 2017).

​Als gevolg daarvan kan voor zeevarenden waarop deze verordening van toepassing is, altijd de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving bepaald worden. Dat is namelijk de sociale verzekeringswetgeving van het woonland van de werknemer.

Feiten
Een zeevarende heeft de Letse nationaliteit en hij woont in Letland. Hij valt daarmee onder de personele en territoriale werkingssfeer van de verordening. De zeevarende was in dienst bij een in Nederland gevestigde werkgever. Hij was werkzaam op een zeeschip met de vlag van een niet-EU-lidstaat. De plaats van tewerkstelling was gelegen buiten de Europese Unie (er werd niet gewerkt op het Duitse deel van het continentaal plat, maar daarboven, namelijk aan boord van het zeeschip met niet-EU-vlag).

Vraagstelling
Is nu de sociale verzekeringswetgeving van het woonland van de werknemer, Letland, of van het vestigingsland van de werkgever, Nederland, van toepassing?

HR volgt niet suggestie A-G om standaardoverwegingen aan arrest toe te voegen

De Advocaat-Generaal Niessen heeft in zijn conclusie van 28 maart 2017 (ECLI:NL:PHR:2017:198) de Hoge Raad in overweging gegeven om in gevallen waarin wordt besloten tot toepassing van artikel 80a, lid 1, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO), niet te volstaan met verwijzing naar de in deze bepaling genoemde gronden, maar daaraan standaardoverwegingen toe te voegen die de grond voor de afwijzing van de klachten aanwijzen zonder deze klachten specifiek te behandelen.

De Hoge Raad zal deze suggestie niet volgen. Artikel 80a van de Wet RO is ingevoerd bij de Wet versterking cassatierechtspraak. Hiermee is beoogd de Hoge Raad in staat te stellen zich te concentreren op zijn kerntaken. De wetgever heeft geconstateerd dat een adequate uitvoering van die taken onder druk stond, onder meer doordat een toenemend aantal kansloze of voor cassatie ongeschikte zaken bij de Hoge Raad wordt aangebracht. Met het oog hierop heeft de wetgever een nieuwe afdoeningsmodaliteit geïntroduceerd waarbij cassatieberoepen die zich daartoe lenen vereenvoudigd en versneld kunnen worden afgedaan.

Internationaal werkzaam, zeevarend? Werkzaam in de bagger- of offshore-industrie? Neem contact op met Robelco Tax Services!

X