Vincent de Groot: "Onze dienstverlening is volledig gericht op de internationale werknemer. Door de uitgebreide ervaring met en de specifieke kennis over onder meer de fiscale omstandigheden van zeevarenden, personen werkzaam in de offshore-industrie en bij baggerbedrijven, maar ook voor andere internationaal mobiele werknemers, weet u zeker dat uw fiscale zaken in vertrouwde en deskundige handen zijn.

Bent u buiten Nederland werkzaam? Zit u met vragen over belastingen en sociale premies? Niet alleen voor het verzorgen van uw Nederlandse aangifte inkomstenbelasting, maar ook bij advisering over werken buiten Nederland of voor een buitenlandse werkgever en wonen buiten Nederland bent u bij ons aan het juiste adres!"



Translate this site

Nederland mag netto-methode hanteren bij voorkoming dubbele belasting met Italië

De inspecteur heeft deze standpunten van belanghebbende betwist. Naar zijn mening heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat artikel 10 van het Protocol bij de Overeenkomst uitdrukkelijk verwijst naar artikel 23 van de Overeenkomst (belastingheffing naar het vermogen) en daarom toepassing mist voor de heffing van inkomstenbelasting. De bepaling van artikel 10 is destijds op verzoek van Nederland in het Protocol opgenomen, om te voorkomen dat bij een te verlenen vermindering ter voorkoming van dubbele vermogensbelasting de bruto-methode zou moeten worden toegepast. Vanaf 1 januari 2001 is de Wet op de vermogensbelasting 1964 evenwel komen te vervallen, waardoor artikel 10 van het Protocol een dode letter is geworden. Overigens doet het door belanghebbende geschetste risico van dubbele belastingheffing zich niet voor, nog afgezien van de omstandigheid dat het door belanghebbende gegeven voorbeeld fictief is.

Volgens de bepalingen van het nationale recht (de Wet inkomstenbelasting 2001) wordt de in Italië gelegen onroerende zaak immers voor een nettobedrag in de heffingsgrondslag begrepen (gemiddelde waarde onroerende zaak minus gemiddelde waarde daaraan toerekenbare schulden). Vervolgens wordt door Nederland vermindering tvvdb verleend voor hetzelfde nettobedrag, zodat de onroerende zaak per saldo in Nederland volledig van belastingheffing is vrijgesteld. Het staat Italië, dat op grond van artikel 6 van de Overeenkomst heffingsbevoegd is over de inkomsten uit de onroerende zaak, vervolgens vrij om deze inkomsten (in theorie) naar een bruto- of netto-grondslag in de belastingheffing te betrekken, zo stelt de inspecteur.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat artikel 10 van het Protocol bij de Overeenkomst, gelet op zijn uitdrukkelijke bewoordingen (waarin wordt verwezen naar artikel 23 van de Overeenkomst, de verdragsbepaling voor ‘belastingheffing naar het vermogen’), en gelet op de context van de overige door de rechtbank geciteerde bepalingen uit de Overeenkomst, niet geldt voor belastingen die voor de toepassing van de Overeenkomst moeten worden aangemerkt als belastingen naar het inkomen en waarbij de Nederlandse wettelijke regeling er op neerkomt dat bij aankoop (verbouwing) van een in het buitenland gelegen onroerende zaak gefinancierd met een schuld, in de grondslag voor box 3 slechts het saldo van de waarde van die onroerende zaak en de financieringsschuld is begrepen. Nu voorts vaststaat dat de onder 2.2 vermelde schuld is aangegaan ter financiering van de verbouwing van de woning van belanghebbende in Italië, onderschrijft het Hof de in de onderdelen 4.2 tot en met 4.6 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen en maakt deze tot de zijne.

Het Hof voegt hieraan toe dat artikel 10 van het Protocol niet wederkerig is geformuleerd, zoals belanghebbende veronderstelt, maar uitsluitend van toepassing is bij de door Nederland te verlenen voorkoming van dubbele (vermogens)belasting. Artikel 10 geldt immers blijkens zijn bewoordingen voor “de berekening van de vermindering vermeld in het tweede lid van artikel 24”, de voor Nederland geldende verdragsbepaling ter voorkoming van dubbele belasting. Voor de interpretatie van deze eenzijdig voor Nederland geldende Protocolbepaling kan naar het oordeel van het Hof mede betekenis worden toegekend aan hetgeen hierover is opgenomen in de toelichtende nota bij de Overeenkomst (Kamerstukken 1990/91, 21 986, nrs. 122 en 1, blz. 13):

“Vermijding van dubbele belasting (artikel 24)
(…) Bepaling 10 van het Protocol bewerkstelligt dat Nederland bij het eventueel voorkomen van dubbele vermogensbelasting slechts de netto waarde van de aan Italië ter belastingheffing toegewezen vermogensbestanddelen in aanmerking behoeft te nemen. In dit verband zij verwezen naar een drietal door de Hoge Raad gewezen arresten van 20 april 1983, BNB 1983/203, 204 en 205, waarin het begrip “vermogensbestanddeel” in de Nederlandse voorkom[ing]sbepaling als een bruto begrip wordt opgevat.”

In deze passage uit de toelichtende nota vindt het Hof bevestiging voor zijn oordeel dat artikel 10 van het Protocol uitsluitend van toepassing is op (eventueel) te verlenen voorkoming van dubbele vermogensbelasting, ter zake van de aan Italië ter belastingheffing toegewezen vermogensbestanddelen. Nu uit het hiervoor vermelde arrest BNB 2007/68 volgt dat de belastingheffing over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, ook voor de toepassing van de Overeenkomst, moet worden aangemerkt als een belasting naar het inkomen, heeft artikel 10 van het Protocol daardoor met het vervallen van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (per 1 januari 2001) zijn praktische betekenis verloren.

Op grond van artikel 24, tweede lid, van de Overeenkomst is het Nederland toegestaan de te verlenen voorkoming tvvdb te berekenen “overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting”. In het onderhavige geval zijn de artikelen 23 en 24 van het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting 2001 (hierna: het Besluit) van toepassing. Uit deze bepalingen volgt (verkort weergegeven) dat de teller van de toe te passen voorkomingsbreuk “netto” wordt berekend, op de (gemiddelde) waarde van de bezittingen in het buitenland verminderd met de (gemiddelde) waarde van de schulden in verband met die bezittingen (zie artikel 23, tweede lid, van het Besluit) en dat de noemer van de voorkomingsbreuk (het ‘noemerinkomen’) wordt gesteld op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (zie artikel 24, vijfde lid, Besluit). In het onderhavige geval dient de te verlenen vermindering tvvdb dan ook te worden berekend op (naar, wat betreft de berekeningswijze, tussen partijen overigens niet in geschil is):

   (4% x € 679.137 =) 27.165
----------------------------------- = 0,4842 x (30% x € 56.099=) € 16.829 = € 8.150.
(4% x € 1.402.488 =) 56.099

Deze verdragstoepassing is naar ’s Hofs oordeel ook overigens in overeenstemming met de Overeenkomst. Uit artikel 24, tweede lid, van de Overeenkomst volgt immers dat het Nederland is toegestaan de vermindering te berekenen overeenkomstig de bepalingen van de Nederlandse belastingwetgeving, terwijl het Italië op grond van artikel 6 van de Overeenkomst is toegestaan zijn heffingsbevoegdheid over de inkomsten uit de onroerende zaak uit te oefenen overeenkomstig de bepalingen van het (eigen) nationale recht.

Internationaal werkzaam, zeevarend? Werkzaam in de bagger- of offshore-industrie? Neem contact op met Robelco Tax Services!

X