Vincent de Groot: "Onze dienstverlening is volledig gericht op de internationale werknemer. Door de uitgebreide ervaring met en de specifieke kennis over onder meer de fiscale omstandigheden van zeevarenden, personen werkzaam in de offshore-industrie en bij baggerbedrijven, maar ook voor andere internationaal mobiele werknemers, weet u zeker dat uw fiscale zaken in vertrouwde en deskundige handen zijn.

Bent u buiten Nederland werkzaam? Zit u met vragen over belastingen en sociale premies? Niet alleen voor het verzorgen van uw Nederlandse aangifte inkomstenbelasting, maar ook bij advisering over werken buiten Nederland of voor een buitenlandse werkgever en wonen buiten Nederland bent u bij ons aan het juiste adres!"



Translate this site

Uitspraak Hof Amsterdam in de zaak Kik

Belanghebbende woonde het hele jaar 2004 in Nederland en was in de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 werkzaam voor een in Zwitserland gevestigde onderneming op een buiten de Zwitserse wateren (en buiten de Nederlandse wateren) onder Panamese vlag varend schip. Gelet op het arrest van het HvJ EU van 19 maart 2015 en het verwijzingsarrest dient – naar het Hof begrijpt – te worden onderzocht of belanghebbende in de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 verplicht verzekerd was op grond van de Zwitserse nationale wetgeving.

In het Bundesgesetz über die Alters- und Hinterlassenenversicherung (AHVG) is het Zwitserse stelsel van verplichte verzekering (naast een stelsel van vrijwillige verzekering). opgenomen. Aan de hand hiervan dient te worden vastgesteld of belanghebbende in de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 is aan te merken als in Zwitserland verplicht verzekerde.

Het AHVG luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Art. 1a Obligatorisch Versicherte

1. Versichert nach diesem Gesetz sind:
a. die natürlichen Personen mit Wohnsitz in der Schweiz;
b. die natürlichen Personen, die in der Schweiz eine Erwerbstätigkeit ausüben;
c. Schweizer Bürger (…)

2. Nicht versichert sind (…)

3. Die Versicherung können weiterführen (…)

4. Der Versicherung können beitreten:
a. Personen mit Wohnsitz in der Schweiz, die auf Grund einer zwischenstaatlichen Vereinbarung nicht versichert sind;
b. Personen, welche auf Grund eines Briefwechsels mit einer internationalen Organisation über den Status der internationalen Beamten schweizerischer Nationalität hinsichtlich der schweizerischen Sozialversicherungen nicht versichert sind;
c. im Ausland wohnhafte nicht erwerbstätige Ehegatten von erwerbstätigen Personen, die nach Absatz 1 Buchstabe c, Absatz 3 Buchstabe a oder auf Grund einer zwischenstaatlichen Vereinbarung versichert sind.

5. (…).”
Zoals is overwogen in 2.4.3 van het verwijzingsarrest mag bij de beoordeling of de toepassing van het AHVG volgens de Verordening voor belanghebbende leidt tot aansluiting bij een stelsel van verplichte verzekering, geen rekening worden gehouden met een Zwitsers voorschrift dat de verzekeringsplicht afhankelijk stelt van de territoriale voorwaarde dat belanghebbende zijn woonplaats in Zwitserland heeft. Deze overweging vloeit voort uit vaste rechtspraak van het HvJ EU (onder meer het arrest van 3 mei 1990 in de zaak van Kits van Heijningen, ECLI:EU:C:1990:183). In die zaak was de werking van artikel 13, tweede lid, onder a, van de Verordening in geding. In dat artikel is – kort gezegd – bepaald dat op degene die in loondienst werkt de wetgeving van het werkland van toepassing is zelfs indien dat niet zijn woonland is (in de bewoordingen van de Verordening: “zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont”). Het HvJ EU heeft geoordeeld dat deze bepaling elk nuttig effect zou verliezen, indien een woonplaatsvereiste dat is opgenomen in de wettelijke regeling van het werkland voor de aansluiting bij de daar geldende verzekeringsregeling, aan een betrokkene zou kunnen worden tegengeworpen. Voor het geval van belanghebbende betekent dit dat het Hof artikel 1a, eerste lid, onder a, van het AHVG buiten beschouwing zal laten bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende bij toepassing van het AHVG volgens de Verordening als verplicht verzekerde kan worden aangemerkt.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende niet op grond van artikel 1a, eerste lid, onder b of c, van het AHVG verplicht verzekerd is en evenmin behoort tot een groep van personen die op grond van artikel 1a, vierde lid, van het AHVG tot de verzekering kan toetreden. Van de hier genoemde bepalingen bevat alleen artikel 1a, eerste lid, onder b van het AHVG een territoriale voorwaarde, namelijk het uitoefenen van beroepswerkzaamheden in Zwitserland. Te beantwoorden is de vraag of het tegenwerpen van deze voorwaarde aan belanghebbende meebrengt dat daarmee elk nuttig effect van artikel 13 van de Verordening verloren gaat.

Daarvoor zal het Hof eerst vaststellen of, en zo ja, wat de Verordening voor een geval als het onderhavige bepaalt. De Verordening geeft - voor zover te dezen relevant - in artikel 13, tweede lid, onder c, een regeling voor degene die, zoals belanghebbende, zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip, daarbij bepalend dat de wetgeving van het vlagland van toepassing. De reikwijdte van deze bepaling is echter beperkt tot degene die werkt op een zeeschip dat vaart onder de vlag van een lidstaat (de Zwitserse Bondsstaat daaronder begrepen). Ook de bijzondere regels voor zeelieden van artikel 14 ter van de Verordening gelden alleen voor werknemers op een zeeschip met een van de lidstaten (de Zwitserse Bondsstaat daaronder begrepen) als vlagland. Voor een werknemer als belanghebbende, die in de in geding zijnde periode werkzaam was op een schip dat onder Panamese vlag voer, geldt dat op grond van deze bepalingen van de Verordening geen toepasselijke wetgeving is aan te wijzen. Van het bepaalde in artikel 1a, eerste lid, onder b, van het AHVG kan dan ook niet worden gezegd dat toepassing daarvan afbreuk doet aan het ter zake bepaalde in de Verordening. Voor dit oordeel vindt het Hof steun in het – ook op een zeevarende betrekking hebbende – arrest Bakker (r.o. 33 t/m 35) van het HvJ EG van 7 juni 2012 (ECLI:EU:C:2012:328).

In voornoemd arrest van 7 juni 2012 in de zaak van Bakker heeft het HvJ EU voor recht verklaard dat artikel 13, tweede lid, onder c, van de Verordening aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een wettelijke maatregel van een lidstaat van aansluiting bij het stelsel van sociale zekerheid van die lidstaat een persoon uitsluit die de nationaliteit van die lidstaat bezit maar niet in die lidstaat woont en die in dienstbetrekking werkzaam is aan boord van een baggerschip dat onder de vlag van diezelfde lidstaat vaart buiten de Europese wateren. In deze zaak waarbij de desbetreffende in Spanje wonende belanghebbende met de Nederlandse nationaliteit zijn beroepswerkzaamheden uitoefende aan boord van een zeeschip dat onder Nederlandse vlag voer (in die zin afwijkend van de feiten in de onderhavige zaak) is overwogen:

33. Niettemin moeten de lidstaten, die weliswaar bevoegd blijven om de voorwaarden voor aansluiting bij hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht eerbiedigen. Inzonderheid mogen die voorwaarden niet tot gevolg hebben dat van het toepassingsgebied van de betrokken nationale wettelijke regeling worden uitgesloten de personen op wie die wettelijke regeling krachtens verordening nr. 1408/71 van toepassing is (zie in die zin arrest van 3 mei 1990, Kits van Heijningen, C-2/89, Jurispr. blz. I-1755, punt 20, en arrest Salemink, reeds aangehaald, punten 39 en 40).

34. Artikel 13, lid 2, sub c, van verordening nr. 1408/71 bepaalt uitdrukkelijk dat op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving van die staat van toepassing is. Het zou in strijd zijn met deze bepaling indien het woonplaatsvereiste dat de wetgeving van de betrokken lidstaat oplegt voor toelating tot het erin voorziene verzekeringsstelsel, kon worden tegengeworpen aan de personen bedoeld in genoemd artikel 13, lid 2, sub c (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Kits van Heijningen, punt 21, en Salemink, punt 41).

35. Mitsdien kan als gevolg van artikel 13, lid 2, sub c, van verordening nr. 1408/71 een bepaling van de toepasselijke nationale wetgeving die voor de toelating tot het in die wetgeving voorziene stelsel van sociale zekerheid het vereiste stelt dat de betrokkenen hun woonplaats in de betrokken lidstaat hebben, niet worden tegengeworpen aan de in deze bepaling bedoelde personen (zie in die zin arrest Kits van Heijningen, reeds aangehaald, punt 22).”

Uit dit arrest volgt dat bij het verrichten van werkzaamheden aan boord van een zeeschip de wetgeving van het vlagland volgens de Verordening voorgaat op de wetgeving van het woonland en dat geen betekenis toekomt aan het gegeven dat de werkzaamheden niet op het grondgebied van de lidstaten (de Zwitserse Bondsstaat daaronder begrepen) worden verricht. Voor het geval van belanghebbende valt daaruit af te leiden dat – nu het vlagland Panama geen lidstaat is – de wetgeving van het woonland van toepassing kan worden geacht zonder dat de Verordening grond biedt voor een andere uitkomst die gegeven zou kunnen zijn bij het buiten beschouwing laten van een territoriale voorwaarde, onderdeel uitmakend van de op grond van het arrest van het HvJ EU in zijn zaak toepasselijke wetgeving van de vestigingsstaat van zijn werkgever (de Zwitserse Bondsstaat).

Hetgeen in 6.4 tot en met 6.7 is overwogen leidt tot de conclusie dat belanghebbende in de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 niet verplicht verzekerd was volgens het Zwitserse stelsel. Hetgeen is bepaald in het AHVG omtrent de situaties waarin men verplicht is verzekerd is, is in deze zaak niet strijdig met enige bepaling van de Verordening. Het Hof is aldus van oordeel dat de Verordening er niet aan in de weg staat dat iemand die in omstandigheden verkeert zoals belanghebbende, niet verplicht verzekerd is in de lidstaat waarin zijn werkgever is gevestigd.

Alsdan is belanghebbende in de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 terecht onderworpen aan de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving en is hij, op grond van zijn woonplaats, verplicht verzekerd in Nederland. Zoals is overwogen in 2.4.4 van het verwijzingsarrest wordt belanghebbende van de Nederlandse verzekering niet uitgesloten op grond van het feit dat hij in bedoelde periode zijn werkzaamheden buiten Nederland heeft verricht.

De slotsom is dat de inspecteur de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 terecht in de heffing heeft betrokken. Dat betekent dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt en het Hof de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden, zal bevestigen.

Internationaal werkzaam, zeevarend? Werkzaam in de bagger- of offshore-industrie? Neem contact op met Robelco Tax Services!

X