Vincent de Groot: "Onze dienstverlening is volledig gericht op de internationale werknemer. Door de uitgebreide ervaring met en de specifieke kennis over onder meer de fiscale omstandigheden van zeevarenden, personen werkzaam in de offshore-industrie en bij baggerbedrijven, maar ook voor andere internationaal mobiele werknemers, weet u zeker dat uw fiscale zaken in vertrouwde en deskundige handen zijn.

Bent u buiten Nederland werkzaam? Zit u met vragen over belastingen en sociale premies? Niet alleen voor het verzorgen van uw Nederlandse aangifte inkomstenbelasting, maar ook bij advisering over werken buiten Nederland of voor een buitenlandse werkgever en wonen buiten Nederland bent u bij ons aan het juiste adres!"



Translate this site

Verzekerd in woonstaat i.v.m. thuiswerk?

Premies volksverzekeringen; Verordening 1408/71; in België wonende werknemer werkte op kantoor in Nederland en voor 6,46% van zijn werktijd incidenteel thuis of op klantbezoek in België. ‘Placht’ hij in twee lidstaten werkzaamheden in loondienst uit te oefenen in de zin van art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71)? Nederland of België bevoegd?

Feiten: De belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde heel 2009 in België. Hij was in dat jaar in loondienst bij een werkgever in [Q] waar hij op kantoor werkte, maar hij bezocht ook klanten in Nederland en België en hij heeft in 2009 13 dagen thuis gewerkt. Hij heeft verzocht om vrijstelling van zijn inkomen van zowel inkomstenbelasting als premieheffing volksverzekeringen omdat hij in België belast en verzekerd zou zijn.

De Inspecteur heeft geen vrijstellingen verleend. Belanghebbendes bezwaar bij de inspecteur en zijn beroep op de Rechtbank zijn ongegrond verklaard.

Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep voor de belastingheffing gegrond verklaard en vastgesteld dat hij 6,46% van zijn feitelijke werktijd in België heeft gewerkt. Op grond van art. 15 van het Belastingverdrag met België heeft het Hof daarom 6,46% of € 1.967 van zijn loon aan België toegewezen geacht. Voor de premieheffing heeft het Hof geoordeeld dat de belanghebbende zijn werkzaamheden gewoonlijk slechts in Nederland verrichtte omdat er ter zake van thuiswerk geen afspraak of structureel patroon was en feitelijk slechts incidenteel in België werd gewerkt. Daarom was geen sprake van ‘werkzaamheden in loondienst plegen uit te oefenen op het grondgebied van twee of meer lidstaten’ ex art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71, zodat de belanghebbende op grond van art. 13(2)(a) Vo. 1408/71, in Nederland verzekerd was.

De belanghebbende stelt in cassatie dat onbegrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat hij niet op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen, nu hij immers ook thuis pleegt te werken. De Staatssecretaris meent dat uit de feitelijke vaststelling dat in het thuiswerken en klantbezoek in België geen regelmaat of structuur zat en het HvJ EU-arrest Format volgt dat de belanghebbende slechts in Nederland placht te werken.

De A-G Wattel constateert dat de belanghebbende in 2009 werkzaamheden heeft verricht op het grondgebied van twee lidstaten, en dat de conflictregel van is art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71 op hem van toepassing is als hij dat in beide Staten ‘placht’ te doen. Hij constateert dat de vraag welke referentieperiode voor de beoordeling van dat ‘plegen’ moet worden beschouwd, noch door de verordening, noch door de toepassingsverordening, noch door de jurisprudentie van het HvJ EU wordt beantwoord. Wel heeft het HvJ EU in zaak C-115/11 Format terloops overwogen dat ‘louter incidentele’ werkzaamheden in een andere lidstaat veronachtzaamd worden voor de beoordeling of van ‘plegen’ sprake is, en wellicht ook voor de toepassing van art. art. 13(2)(a) Vo. 1408/71, dus ook voor de toepassing van de hoofdtoewijzingsregel (plaats van feitelijke werkzaamheid). Het Hof is in casu kennelijk uitgegaan van beoordeling over heel 2009 en dat lijkt de A-G in casu correct, nu de belanghebbende het hele jaar in Nederlandse loondienst was en in België woonde en de werkzaamheden in België kennelijk over het hele jaar verspreid waren.

Dat de omvang van de werkzaamheden in België beperkt was (121 uur; 6,46% van de werktijd), belet op zichzelf niet dat art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71 van toepassing kan zijn, zo blijkt uit de HvJ-zaken Kuijpers en Kits van Heijningen. Maar uit de arresten Format en Calle Grenzshop Andresen blijkt dat als niet regelmatig (patroonmatig), maar slechts ‘louter incidenteel’ in een andere lidstaat wordt gewerkt, geen sprake is van ‘plegen werkzaamheden uit te oefenen op het grondgebied van twee of meer lidstaten’ ex art. 14(2) Vo. 1408/71. Hoewel daarmee de conflictregel van art. 14 uitgeschakeld wordt, leidt dat, volgens de A-G, denkelijk niet tot dubbele verzekering, omdat kennelijk ook voor de toepassing van de hoofdtoewijzingsregel van art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 (plaats van werkzaamheid) voorbijgegaan wordt aan werkzaamheden die ‘louter incidenteel’ op het grondgebied van een andere lidstaat zijn verricht. Het Hof heeft feitelijk geoordeeld dat bij het thuiswerken of klantbezoek in België geen sprake was van regelmaat of een structureel patroon en dat wordt door de belanghebbende expliciet erkend. Op basis daarvan en van het arrest Format kon het Hof oordelen dat belanghebbendes werkzaamheden gewoonlijk slechts in Nederland werden verricht en het werken in België slechts incidenteel plaatsvond. ’s Hofs daarop gebaseerde rechtskundige conclusie dat “geen sprake is van het plegen uitoefenen van werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee of meer lidstaten” in de zin van art. 14(2) Vo. 1408/71 is alsdan juist, waardoor die bepaling niet van toepassing is en art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 Nederland aanwijst. Conclusie: belanghebbendes cassatieberoep is ongegrond.

Internationaal werkzaam, zeevarend? Werkzaam in de bagger- of offshore-industrie? Neem contact op met Robelco Tax Services!

X