Vincent de Groot: "Onze dienstverlening is volledig gericht op de internationale werknemer. Door de uitgebreide ervaring met en de specifieke kennis over onder meer de fiscale omstandigheden van zeevarenden, personen werkzaam in de offshore-industrie en bij baggerbedrijven, maar ook voor andere internationaal mobiele werknemers, weet u zeker dat uw fiscale zaken in vertrouwde en deskundige handen zijn.

Bent u buiten Nederland werkzaam? Zit u met vragen over belastingen en sociale premies? Niet alleen voor het verzorgen van uw Nederlandse aangifte inkomstenbelasting, maar ook bij advisering over werken buiten Nederland of voor een buitenlandse werkgever en wonen buiten Nederland bent u bij ons aan het juiste adres!"



Translate this site


Prejudiciële vragen omtrent uitlegging de Schumacker-jurisprudentie

Aan belanghebbende, die de Nederlandse nationaliteit heeft en in 2007 buitenlands belastingplichtige was, is een aanslag IB/PVV opgelegd. Belanghebbende woont in Spanje en bezit aldaar een ‘eigen woning’ ter zake waarvan hij hypotheekrente betaalt zodat hij beoordeeld naar Nederlands fiscaal recht, negatieve inkomsten uit eigen woning geniet. Belanghebbende geniet geen positieve inkomsten uit Spaanse bronnen maar wel arbeidsinkomsten uit Nederland en Zwitserland. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij, zonder dat daarvoor een beroep nodig is op artikel 2.5 van de Wet IB 2001, op grond van het recht van de Europese Unie (de Schumacker/Renneberg-jurisprudentie van het HvJ EU) aanspraak heeft op aftrek in Nederland van de op de ‘eigen woning’ in Spanje betrekking hebbende hypotheekrente. De Inspecteur is van oordeel dat belanghebbende geen beroep toekomt op bedoelde jurisprudentie van het HvJ EU en dat slechts aanspraak bestaat op aftrek van de hypotheekrente als belanghebbende kiest voor toepassing van artikel 2.5 Wet IB 2001.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen beroep kan doen op de Schumacker/Renneberg-jurisprudentie omdat belanghebbende niet werknemer is in de zin van het Europese recht.

A-G Niessen concludeert dat het voorliggende geschil beantwoording vraagt van verschillende deelvragen. De eerste betreft de vraag of belanghebbende werknemer is in de zin van het Europese recht, en de tweede of ook belastingplichtigen die niet werknemer zijn in vorenbedoelde zin in aanmerking komen voor toepassing van de Schumacker-jurisprudentie. Indien laatstgenoemde jurisprudentie van toepassing is, is de vraag hoe deze uitwerkt in gevallen zoals dat van belanghebbende waarin sprake is van twee ‘werkstaten’, in het bijzonder wanneer één van beide werkstaten Zwitserland is. A-G Niessen meent dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende niet kwalificeert als werknemer in bovenbedoelde zin. Volgens de A-G heeft het Hof echter miskend dat de Schumacker-jurisprudentie eveneens geldt voor belastingplichtigen die als zelfstandige werkzaam zijn. Hij verwijst onder meer naar het Wielockx-arrest van het HvJ EU.

Vervolgens gaat de A-G in op de situatie dat voor elk van de drie staten de Schumacker-jurisprudentie geldt. Uitgaande van de situatie dat geen positieve inkomsten worden genoten in het woonland, wordt nagegaan of een, en zo ja welke, van de werkstaten rekening moet houden met de persoonlijke- en gezinssituatie van de belastingplichtige. Er worden zeven verschillende antwoorden geschetst. A-G Niessen kiest voor de optie dat elke werkstaat de ‘personal allowances’ volgens zijn nationale recht bepaalt en dit bedrag deelt door het aantal werkstaten. Vervolgens wordt ingegaan op de situatie dat voor één werkstaat of voor de woonstaat niet het EU-recht geldt. In de eerste situatie dient dan het recht te worden toegepast zonder – in zoverre – rekening te houden met de werkzaamheden in die staat. In het tweede geval biedt het Europese recht geen houvast om de werkstaten te verplichten rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige.

De A-G constateert dat de in de zaak te nemen eindbeslissing afhankelijk is van oordelen die de Hoge Raad niet zelf kan geven. Enerzijds staan niet alle relevante feiten vast zodat onzeker is of de tussen de EU en Zwitserland gesloten overeenkomst inzake vrij verkeer van personen van toepassing is. Daarnaast zullen vragen omtrent de interpretatie van genoemd verdrag met Zwitserland en omtrent de uitlegging van de Schumacker-jurisprudentie moeten worden voorgelegd aan het HvJ EU. Om welke vragen het dan gaat is mede afhankelijk van de beslissing omtrent de nog openstaande feitelijke kwestie. Verwijzing naar een gerechtshof is dan ook geboden.

Voor het geval wordt geoordeeld dat de Schumacker-jurisprudentie in belanghebbendes geval niet van toepassing is, concludeert de A-G dat de belastingplichtige die kiest voor toepassing van artikel 2.5 Wet IB 2001 ook de toepassing van de gezamenlijke methode als wijze van voorkoming van dubbele belasting zal moet accepteren (in plaats van de afzonderlijke methode).

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van het geding naar een gerechtshof.

Internationaal werkzaam, zeevarend? Werkzaam in de bagger- of offshore-industrie? Neem contact op met Robelco Tax Services!

X