Vincent de Groot: "Onze dienstverlening is volledig gericht op de internationale werknemer. Door de uitgebreide ervaring met en de specifieke kennis over onder meer de fiscale omstandigheden van zeevarenden, personen werkzaam in de offshore-industrie en bij baggerbedrijven, maar ook voor andere internationaal mobiele werknemers, weet u zeker dat uw fiscale zaken in vertrouwde en deskundige handen zijn.

Bent u buiten Nederland werkzaam? Zit u met vragen over belastingen en sociale premies? Niet alleen voor het verzorgen van uw Nederlandse aangifte inkomstenbelasting, maar ook bij advisering over werken buiten Nederland of voor een buitenlandse werkgever en wonen buiten Nederland bent u bij ons aan het juiste adres!"



Translate this site


Geen cassatie in zaak over te laat opgelegde IB-aanslag

Toelichting staatssecretaris op cassatievoorstel van 4 juli 2014, nr. DGB 2014- 3647, n.a.v. Uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden van 13 mei 2014, nr. 13/00952, ECLI:NL:GHARL:2014:3920

Na verleend uitstel diende B zijn IB-aangifte 2006 in op 29 mei 2008. Met dagtekening 15 augustus 2008 is een voorlopige IB-aanslag 2006 opgelegd conform de aangifte. I.v.m. een boekenonderzoek hebben de inspecteur en B een vaststellingsovereenkomst gesloten op 17 januari 2011. Hierin is onder meer overeengekomen dat de dagtekening van de aanslag ligt na de uiterste datum van 31 december 2010, mits de aanslag wordt opgelegd voor 1 juli 2011. Ook is overeengekomen dat de verschuldigde IB € 117.000 zal bedragen. Als de verlenging van de beslistermijn niet toereikend is, kan de termijn met wederzijds goedvinden worden verlengd. Met dagtekening 20 januari 2012 is de aanslag 2006 opgelegd.

B stelt dat de aanslag niet binnen de (wettelijke) termijn is opgelegd en dat conversie van de aanslag in een navorderingsaanslag niet mogelijk is. De inspecteur betoogt primair dat de aanslag tijdig is opgelegd. De vaststellingsovereenkomst is ondertekend op 17 januari 2011. Daarmee is de belastingschuld over 2006 vastgesteld en bekendgemaakt. Subsidiair stelt hij dat de aanslag moet worden geconverteerd in een navorderingsaanslag IB 2006. Ten gevolge van een kenbare fout is een aanslag achterwege gebleven, waardoor navordering mogelijk is o.g.v. art. 16, lid 2, onderdeel c, AWR.

Het hof stelt vast dat volgens de vaststellingsovereenkomst de IB-aanslag uiterlijk moest worden vastgesteld op 30 juni 2011. Niet is gesteld dat de termijn met wederzijds goedvinden is verlengd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst geen aanslag inhoudt in de zin van art. 5 AWR. De aanslag is een beschikking in de zin van art. 1:3, lid 2, Awb die (eenzijdig) door de
inspecteur wordt vastgesteld op basis van een aan hem toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid. De vaststellingsovereenkomst is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen twee partijen (art. 7:900 BW). Die overeenkomst heeft een ander rechtskarakter en dus kan geen sprake zijn van een
aanslag in de zin van de AWR. Het hof sluit zich bij dit oordeel aan. Verder oordeelt het hof dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat sprake moet zijn van een fout die leidt tot een redelijkerwijs kenbare onjuiste vaststelling van de belastingaanslag of beschikking. Nu er geen sprake is van een aanslag of beschikking, kan de aanslag niet worden geconverteerd in een navorderingsaanslag. De voorlopige aanslag moet ogv art. 15 AWR worden verrekend.

De staatssecretaris ziet af van een beroepschrift in cassatie. Ter toelichting merkt hij het volgende op.

In casu is de primitieve aanslag 2006 te laat opgelegd. Lopende een onderzoek is nog wel een vaststellingsovereenkomst gesloten om de aanslagtermijn te verlengen van 31 december 2010 tot 30 juni 2011. De aanslag is echter opgelegd met dagtekening 20 januari 2012.

De inspecteur heeft onder andere gesteld dat het niet tijdig opleggen van de aanslag aangemerkt kan worden als een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), omdat ten onrechte een aanslag achterwege is gebleven. Daarmee zou de aanslag in een navorderingsaanslag geconverteerd kunnen worden. In het tijdsgewricht vóór invoering van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR heeft een vergelijkbare kwestie ooit gespeeld en oordeelde de Hoge Raad in het arrest HR 2 juni 2006, nr. 41 052, BNB 2007/148 op een door mij ingesteld incidenteel beroep:
“De Hoge Raad acht geen grond aanwezig voor het uitbreiden van de 
uitzondering op de eis van een nieuw feit tot gevallen als het onderhavige, waarin anders dan in gevallen waarop voormelde jurisprudentie ziet, geen sprake is van een binnen de aanslagtermijn aan de belastingplichtige toegezonden aanslagbiljet of beschikking.”

Het nieuwe artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR beoogde onder andere om de in BNB 2007/148 bedoelde gevallen van schrijf- en tikfouten te codificeren en verder uit te breiden met gevallen waarin bijvoorbeeld sprake was van fouten in de aangifte. Voor deze verruimde gevallen geldt echter wel hetgeen in de wetsgeschiedenis is opgemerkt over de kenbaarheid van de fout:
“”De belastingplichtige moet als het ware in één oogopslag (hebben) kunnen zien dat de belastingaanslag of een beschikking om geen aanslag op te leggen, niet juist is.
(…)
De kenbaarheid van de onjuistheid van de belastingaanslag of de
beschikking om geen aanslag op te leggen staat voorop (…).
Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, par. 12.1.

Wil sprake zijn van een fout zoals de wetgever heeft bedoeld, hoort daarbij dat de belastingplichtige een aanslag of een beschikking ontvangt, waaraan hij als het ware met één oogopslag kan zien dat die niet juist is. In casu heeft belanghebbende echter niets ontvangen. Het Hof oordeelt dan ook terecht dat nu geen aanslag of beschikking is ontvangen voor het einde van de aanslagtermijn de
aanslag van 20 januari 2012 niet kan worden geconverteerd in een navorderingsaanslag.

Bron

Internationaal werkzaam, zeevarend? Werkzaam in de bagger- of offshore-industrie? Neem contact op met Robelco Tax Services!

X